Eerste seks, eerste diefstal en eerste tv-uitzending: allemaal in het naoorlogse Kijkduin!

Herinneringen aan de Duinlaan 149

Geschreven door Bob Snoijink

Vlak voordat ik kennismaakte met deze site en z’n evenknie op Facebook, werd ik al aan Kijkduin herinnerd door een oude zwartwitfoto op Facebook van een kind dat een bad krijgt in een zinken teil.
Ik ontkrachtte de romantiek met het commentaar: ‘En ’s morgens zat m’n snot aan de paardendeken vastgevroren en stonden de bloemen op de ruiten.’ Die opmerking kreeg veel bijval.

Ik was ergens tussen nul en tien, want Duinlaan 149 was mijn onderdak van 1946 tot 1956, toen de rest van het achtkoppige gezin Snoijink op de krakkemikkige emigrantenschuit Zuiderkruis naar Nieuw-Zeeland verhuisde, mijn twee oudste zussen Loes en El achterna die er al vijf jaar woonden en enthousiaste verhalen schreven op blauwe luchtpostvelletjes die je opvouwde, dicht likte en op de bus deed.

Die zinken teil herinner ik me goed. Ik weet ook nog dat ik daarvoor in een afwasteiltje van email, gebutst groen aan de buitenkant en wit aan de binnenkant, in bad werd gedaan. Ik heb zelfs nog één beeld dat mijn moeder me in de wastafel op de ouderlijke slaapkamer in bad deed, geholpen door een ketel heet water, want de kraan gaf alleen koud. Ik was gefascineerd door het kettinkje van de stop en een wonderlijk verticaal steeltje van metaal met een kommetje bovenop, waarvan ik de betekenis (zeephouder) pas veel later begreep. Ik verkeerde nog in de gezegende staat dat ik voor niets een naam had, zelfs geen oordeel zoals vreemd. Ik zat rechtop in de wieg te staren naar een verbijsterend verschijnsel dat ik pas jaren later retrospectief identificeerde als een gezonde drol. Iets instinctiefs moet me er toen van hebben weerhouden om hem over alle oppervlakten uit te smeren.

De winters waren bar in dat halfsteens huis met enkelglas. In de huiskamer stond een kolenkachel (die ’s nachts uitging), waarop een baksteen heet lag te worden om verpakt in een wollen sok als kruik te dienen. Later was er blijkbaar genoeg geld voor jenever die m’n vader uit een stenen fles dronk en als die leeg was, verving hij de baksteen. Pas veel later werd de rubberkruik mijn welkome bedgenoot.

Het waren jaren waarin de zomers een eeuwigheid duurden en de winters bijna Siberisch koud konden zijn. Ergens in de winter van 54 of 55 heerste er een griezelige stilte aan het strand omdat het min vijfentwintig was en de branding was omgetoverd tot een dertig meter brede strook ijsbergen en opgekruide schotsen. In mijn herinnering was het een hele belevenis om een geluid te missen dat je in de buurt van het strand zo permanent hoorde dat je het niet meer hoorde. Die stilte hoorde je wel.

M’n eerste jaren moeten wel door naoorlogse armoe zijn getekend, want ik herinner me ook bordjes gekookte uien als avondeten. Mijn moeder schudde de hagelslag die niet op de margarine bleef plakken van mijn bruine boterham (wit brood was twee cent duurder) en wanneer ik me waste, draaide ze een lopende kraan dicht met de gevleugelde mededeling dat ik de oorlog niet had meegemaakt, wat ze blijkbaar als een tekort in mijn opvoeding beschouwde. Als ik na een boterham met kaas en een met jam nog meer wilde eten, kreeg ik een ‘boterham met tevredenheid,’ dus met niks. Omdat jam en ham waarschijnlijk dure luxe waren die alleen op zondag op tafel verschenen, maakte m’n moeder broodbeleg van witte suiker vermengd met cacao dat ze iepekras noemde. Nog jaren heb ik gedacht dat iepekras gewoon Nederlands was. Toen ik een keer klaagde dat andere kinderen prachtig speelgoed hadden, zei ze met gemaakt enthousiasme: ‘Maar dan maak ik toch een slépertje voor je!’ De toon voorspelde heel wat bijzonders. Gefascineerd keek ik toe hoe ze met een hamer en spijker een gat midden in een Buismandekseltje sloeg, daar een touwtje bevestigde en zei dat ik het achter me aan kon slepen.

Ik heb dat één keer gedaan en vond er geen bal aan. Ik wilde een zeilboot zoals dat model van de Vrijheid van kapitein Rob waarmee Uki Bausch, die eigenlijk Ruud heette, op de tankgracht pronkte, tot jaloezie van de rest.
Kinderen hebben meestal geen kritiek op hun omstandigheden, zelfs niet in gedachten, want de barre winters in dat huis aan de Duinlaan waren heel gewoon en de zorgen om de gesprongen waterleiding gingen mij niet aan. Net als het feit dat ik zo goed als elke nacht in mijn bed plaste, iets wat pas rond mijn tiende overging toen ik me ervoor begon te schamen.

Als ik met deze inleiding de indruk heb gewekt dat de periode Kijkduin maar beter vergeten kan worden, haast ik me om te zeggen dat ik mijn eerste decennium nog steeds reken tot een van de gelukkigste en meest zorgeloze perioden van mijn leven, al mag de winter van mijn bestaan er momenteel ook zijn.

Even afkloppen.
Alleen gruw ik van een koud huis.

Het strand met z’n strekdammen waarop mijn vader in zijn vrije tijd viste, was vlakbij. Na het vertrek van Loes, El en Jan van der Houwen (een van de drie zoons van Kijkduins geestelijke vader en de verloofde van Loes) bleef Max, de Duitse herder van Jan, ontredderd achter, ondanks (of juist door) het feit dat hij was geadopteerd door Jans broer Kees, die op een half uur lopen in een zijstraat van de Laan van Meerdervoort woonde. De vriendelijke hond had net als mijn moeder een bal van struma aan zijn keel. Hij ontsnapte dikwijls aan zijn adoptiefouders, en als hij na lange omzwervingen (vergeefs op zoek naar zijn baas) door Kijkduin, de duinen en het strand bij ons op 149 aanwipte, was ik dolblij met zijn komst en maakte ik lange wandelingen met hem naar het strand om halverwege Ter Heijde langdurig met mijn hoofd op zijn buik te liggen staren naar de stoomboten die de haven van Hoek van Holland verlieten om voorbij de horizon mysterieus in zee te zakken en een wereld te verkennen die ik alleen kende van de boekjes van Kapitein Rob, zijn hond Skip en het zeilschip De Vrijheid. De schepen die vertrokken fascineerden me meer dan de boten die binnenvoeren. Het zou kunnen dat mijn liefde voor honden en reizen daar is begonnen. Ik hield veel van Max en had hem graag geadopteerd, maar vader Jules was bang van hem, hoorde ik pas veel later. Op m’n zevende moest ik mijn harige makker op een keer terugbrengen naar zijn stiefgezin, waar hij tot mijn ontzetting slaag kreeg met een riem van Bep, de vrouw van Kees, die blijkbaar hoopte dat hij zou afleren om weg te lopen, natuurlijk met averechts resultaat. Het beeld van Bep met haar riem heeft zich in mijn geheugen gegrift, maar eerlijkheidshalve moet ik erbij zeggen dat Max mij tijdens zijn afstraffing aankeek alsof hij zeggen wilde Helemaal niet erg hoor. Ik weet nu namelijk hoe een schuldbewuste hond bij een standje kijkt. Zeventig jaar later gebruik ik voor mijn twee bordercollies Max en Paco nog steeds hetzelfde fluitje als destijds voor aartsvader Max: een lange hoge toon gevolgd door een staccato van vier of vijf korte lagere. Dat was zo vaak gebruikt dat de huismerel van nummer 149 hem ook kende en me aanvankelijk in de waan bracht dat een onzichtbare grapjas hem floot. Max zelf trapte er niet in.

Ach, wat is een mens anders dan een draaikolk van (waarschijnlijk verminkte) herinneringen, die blijkbaar een synaptische impuls krijgen bij het zien van oude foto’s zoals van Kijkduin uit de tijd van voor de eerste nieuwbouw, want daar was, naast de doorgetrokken Meer en Boslaan, een braak en min of meer vlak stuk duingrond met helm en duindoorn, omsloten door de Scheveningse-, Katwijkse- en Zandvoortselaan, waar ik een keer op weg naar het strand met Max met mijn handen in de kattenpoep struikelde, wat ik tot de smerigste gebeurtenissen van mijn leven reken.

Daar, op de hoek van de Meer en Boslaan en de Scheveningselaan, begint een rijtje houten huizen die ‘Oostenrijks’ werden genoemd. In een daarvan woonde een meisje van een jaar of vijf dat tijdens het spelen op straat volgens een van de andere kinderen ging huilen als je hard tegen haar schreeuwde. Ik kan niet veel ouder dan dat arme kind zijn geweest, want dat wilde ik wel zien. Ik zou mijn dochter decennia later misschien een pak slaag voor zulk gedrag hebben gegeven, maar ik deed het, met succes. Ze barstte in huilen uit, tot vermaak van een tiental andere kinderen. Blijkbaar moesten mijn spiegelneuronen, verantwoordelijk voor empathie, nog gerangschikt worden.

Karma nam op mijn twaalfde de straf voor zijn rekening toen ik in 1958 met een leerachterstand uit Nieuw-Zeeland was teruggekeerd. Dat land — wat mij betreft het mooiste land ter wereld — was voor iedereen, behalve mijn vader, een groot succes. Het ondervond juist in 56-57 een economische crisis, waardoor hij geen ander werk kon krijgen dan als huisschilder en magazijnbediende van Woolworth, ver beneden de stand van iemand die het dankzij een 3-jarige HBS in Haarlem en veel avondscholing had geschopt tot directeur van een bedrijfsvereniging aan de Javastraat. Dus toen hij via een vriend een baan in zijn genre in Arnhem kreeg aangeboden, stapte hij op de eerste de beste boot terug, pas maanden later gevolgd door mam, Rob en mij. De tweeling Lien en Jules, net 18 en wel voorzien van een baan, mocht wel mee, maar dan moesten ze de reis zelf betalen. Retrospectief acht ik dat een klerestreek, maar voor een kind is niets van wat zijn ouders doen redelijk noch onredelijk.

Ik belandde in de vijfde van een Arnhemse lagere school, viel door die leerachterstand aan onzekerheid ten prooi en werd op het schoolplein gepest door een bully, veel groter dan ik, omgeven door lachende onderdanen. Ik ervoer aan den lijve en geestelijk de verschrikking van gepest worden. Nog jarenlang sloeg ik de bewuste eikel voor het slapengaan in mijn verbeelding helemaal in elkaar, maar ik weet niet of dat veel hielp.

Een draaikolk van herinneringen dus. Waar nu aan het eind van de Katwijkselaan een monsterlijk parkeerterrein in de duinen is, klom ik vroeger over het prikkeldraad om ondergrondse bunkergangen te verkennen waar je nog op prachtige Duitse granaathulzen van koper kon stuiten, die dienst konden doen als bloemenvaas, en om bramen te plukken, beducht voor koddebeier Frijs, die in een zwarte leren jas op een vooroorlogse motor door de duinen scheurde in de hoop overtreders van artikel 461 tegen te komen die hij een boete (bij volwassenen) of een pak slaag (bij minderjarigen) kon geven. Dat gold ook voor boswachter Vos van Meer en Bosch, waar mijn vader me in de winter leerde schaatsen op de vaarten rond het Segmeertje en waar ik in de zomervakantie stiekem ging vissen. Dat mocht niet — en daarom deed ik het waarschijnlijk – dus verstopte ik me uit het zicht achter een treurwilg, en verdomd als ik Vos met zijn losse handjes niet op een keer voorbij zag fietsen.

Mijn vader en ik wandelden er dikwijls. Hij heeft me een keer het nestje van een winterkoninkje laten zien. Die herken ik nog steeds op het eerste gezicht en ik heb regelmatig gewenst dat hij veel meer van de natuur had geweten, want ik had alles voor het leven opgeslagen. Tegenwoordig moet ik uit het raam kijken wanneer iemand me het kenteken van mijn auto vraagt, terwijl ik moeiteloos telefoonnummers van Duinlaan 149 (396691), van mijn vaders kantoor (771898) en het nummerbord van zijn eerste auto (XX-15-60) kan afratelen. Het winterkoninkje is nog steeds mijn favoriete Hollandse vogel omdat hij zo’n beetje het kleinste gevederde vriendje van ons land is, maar een enorme keel kan opzetten. Daar hou ik van. Ook van dat leuke staartje.

We wandelden op vrije dagen natuurlijk ook vaak naar het strand. Waar de Kijkduinstraat eindigt, stond een strandtent die het Benelux Paviljoen heette, met een aangespoelde zeemijn als sculptuur op het terras en een venster waar voorbijgangers voor een dubbeltje een ijsje met rozijnen konden kopen. Daar aasden mijn broer Rob (2 jaar ouder) en ik altijd op. Maar mijn vader was notoir gierig, dus dat gebeurde maar eens in de tien wandelingen. Flesjes frisdrank (van Hero) bestonden al, maar die kreeg ik alleen op mijn verjaardag: één flesje Hero Cassis. Later kwamen er flessen Riedel en Sisi bij en als die in huis kwamen, was het feest. Als mijn vader ’s morgens vroeg via de Muurbloemweg naar de halte van Bus M op de Laan van Meerdervoort liep om naar zijn werk te gaan, moest mijn moeder hem regelmatig in haar négligé achternahollen om het huishoudgeld los te bedelen. De gierigheid van mijn vader heb ik geërfd, al noem ik het liever zuinigheid, en mijn vrouw verdient gelukkig haar eigen geld. Ik ben erg blij dat ik een generatie ben opgeschoven, want mijn vader kon in zijn bestorven periode nog geen kop koffie zetten, dus nam hij zijn toevlucht tot Nescafé (wat ik een terechte straf voor luilakken vind) en aan huis bezorgde kant en klaar-maaltijden van Tafeltjedekje.

Vlak voor het Benelux Paviljoen was een winkeltje dat het midden hield tussen een marktkraam en een kippenhok. Het was een dependance van drogist Miedema in de buurt van de Dalton-HBS en ze verkochten er NIVEA en Tjamba Fi tegen zonnebrand, volgens de legende naar een oud Indiaans recept, dus die moest wel goed zijn, en dingen als schepnetjes. Iets eerder dan Miedema stond een grote, vuilgele houten loods waar badgasten hun fiets kwijt konden en daartegenover was het zomerpolitiebureau met agenten die in hemdsmouwen langs het strand patrouilleerden en sjansten met mijn reeds geslachtsrijpe zussen.

De kleuterschool doorliep ik in Kijkduin. Ik zat bij juffrouw Van de Noorda, in mijn herinnering een mooie vrouw. Ik heb eens een weddenschap gewonnen, omdat ik tijdens een zwemuitje in het voorbijrennen even in haar borst kneep, wat onbestraft bleef. Later liep ik elke dag via de Bosjes van Pex (nagezwaaid door MILVA’s die uit het raam van hun kazerne hingen) op en neer naar de Zonnebloemschool, waar ik tot 1956 les kreeg. Ik vertrok naar Nieuw-Zeeland met een tussentijds rapport. Op de achterkant stond een grafiek waar ik me intellectueel bevond in vergelijking met m’n klasgenoten. De rooie pijl die mij verbeeldde stond in het midden. Dat is nooit veranderd; ik heb mezelf nooit meer dan als middelmatig ervaren. Of minder, want met sport werd ik altijd als laatste gekozen, of er werd tegen de andere partij gezegd ‘Nemen jullie hem maar.’

De S200 liep nog niet langs Kijkduin. In plaats daarvan lagen er tussen de Duinlaan en Meer en Bosch braak land, een moeras en een tankgracht waar mijn oudste broer Jules — in mijn kinderogen een soort godheid die mij lichtjaren voor was in ontwikkeling — onze ganzen liet zwemmen. Op een fluitje waggelden ze achter hem aan om een uurtje vrolijk rond te peddelen, terwijl hij op de kant op een grasspriet zat te kauwen. Floot hij nog een keer, dan kwamen ze gehoorzaam uit het water om terug te gaan naar hun hok achter het huis, waar ze gezelschap hadden van konijnen en kippen. Voor we naar NZ emigreerden, werd die tankgracht gedempt nadat de plaatselijke bevolking er een sleepnet doorheen had gehaald, wat tot een massale vangst van voorntjes, baars en andere zoetwatervis op het strandje leidde. Nu staat er een flatgebouw, dat uitkijkt op de weilanden van, destijds, boer Zonneveld.

Daar leerde ik kievitseieren zoeken — want dat mocht nog, zij het niet van de boer — en mijn vader hield van die minuscule gebakken of gekookte eitjes. Ze waren groenzwart gespikkeld, een fantastische schutkleur. Dat was frustrerend, want mijn broers en zussen vonden ze veel eerder dan ik, maar het duurde nog geen twee seizoenen voor ik het trucje door had. De kieviet steeg op en probeerde al roepend de zoeker af te leiden van zijn nest. Op de paar vierkante meter waar dat te vinden moest zijn, verrieden de eitjes zich door hun vorm. Je moest wel uitkijken, want boer Zonneveld was een kwaaie. Ik heb nog een beeld dat hij in de verte zwaaiend met een knuppel aan kwam hollen. Met slootje springen heb ik, op de vlucht voor de boze boer, menige natte poot gehaald, maar ik vond het allemaal geweldig.

Vlak tegenover nummer 149 was een sloot. Zo te zien op Google Maps is die er nog. In zonnige perioden lag ik elke dag op mijn buik in het gras naar het water te staren, naar de libellen, de waterlelies, de schrijvertjes die magische cirkels op het water beschreven, naar de schichtige schaduw van de zwarte zeelt tussen de kroosbosjes en andere waterplanten, naar de geel gerande watertorren, de wolken stekelbaarsjes, de voorntjes en soms een snoek die doodstil in het water kon hangen en er schijnbaar zonder beginsnelheid in een flits vandoor kon gaan, en de kikkerdril. Die boeide me mateloos; er kwamen zwarte kikkervisjes uit die algauw hun staart verloren, groen werden en in minikikkertjes veranderden. Eén keer zette ik zo’n kikkertje op m’n tong, waar hij bedaard bleef zitten toen ik mijn mond dichtdeed, naar huis liep om in de keuken mijn tong naar mijn moeder uit te steken. Ik zie nog de ontzetting op haar gezicht. Volgens haar was er heel veel in de wereld giftig of vies. Het was maar goed dat ze nooit heeft gezien hoe ik platgelopen kauwgom van de stoep voor het huis krabde om te herkauwen.
Soms vroeg ze wat ik al die uren had gedaan. ‘Niets,’ zei ik dan naar waarheid, terwijl zich een betoverend universum van naamloosheid aan m’n gezichtsveld had geopenbaard, want woorden als zeelt en geel gerande watertor zou ik pas veel later leren. Voor mijn kinderblik waren het gewoon verschijnselen.

Wolken van wervelende herinneringen, als stekelbaarsjes in die sloot zonder naam. De buurman heette Steehouwer. Die had een zoon die zich bij het Vreemdelingenlegioen had aangesloten, maar overboord sprong bij het toenmalige Ceylon toen hij naar Vietnam werd uitgezonden. Hij zwom naar de vaste wal door een zee waar het wemelde van de haaien. Wat er van hem is geworden… Wie het weet mag het zeggen. Toen zijn moeder stierf, baarde de kale weduwnaar haar op in de serre, zodat iedereen vanaf de stoep het lijk kon zien. Achter ons stond een huis aan de Noordwijkselaan, waar dikwijls uit de open ramen luidkeelse Franse chansons klonken, al had ik toen geen idee dat ze Frans waren noch dat ze chansons heetten.

Robbie Romani, die naam herinner ik me nog wel. Hij was van mijn leeftijd, woonde halverwege de Noordwijkselaan en nu ik dit schrijf, besef ik pas dat het waarschijnlijk om een zigeunerfamilie ging. Robbie was berucht om zijn kattenkwaad, maar waar die precies uit bestond… al sloeg je me dood. Herinneringen zijn willekeurige vlekken zonder begin of eind. Hansje Dijkman, van de Meer en Boslaan om de hoek, was ook zo’n boef. Diens vader speelde een keer voor Sinterklaas toen ik nog in de goedheiligman geloofde. Ik schrok me een ongeluk als er hard op de deur werd gebonsd en er een zwarte hand verscheen die pepernoten naar ons hoofd smeet, gevolgd door de grijnzende heilige. Ik werd op schoot getrokken en gevraagd of ik wel lief en aardig en eerlijk was geweest. Ik loog van wel, en riep: ‘Maar Hansje Dijkman, dat is me toch een schoffie!’ Het verhaal werd op latere familiebijeenkomsten dikwijls herhaald, met veel hilariteit, al voelde ik me mettertijd steeds meer een klikspaan.

Een aantal dingen gebeurde in Kijkduin voor het eerst van mijn leven. Mijn eerste diefstal gold een dubbeltje, dat op een schoolrapport op de vleugel lag van de familie Koning, het eerste huis aan de Noordwijkselaan, waar mijn moeder met mij op de koffie was. De beloning was bedoeld voor dochter Fonitia, een meisje van mijn leeftijd. In een onbewaakt ogenblik griste ik het muntje weg en stak het in mijn zak. Ik wist precies hoe ik het ging besteden. Kijkduin had geen winkels, maar eens in de week kwam er een bestelwagen ijs verkopen. Ik bofte, want het was precies de juiste dag, hij stond op de hoek van de Wijkselaan en ik likte de laatste verrukkelijke druppels van het stokje toen ik bijna thuis was, m’n moeder me tegemoetkwam en op slag begreep (of had gehoord) wat er was gebeurd. Ik moest naar mijn kamer, dan zou zij de politie bellen.

De politie! Dat waren vervaarlijke wezens in een zwarte leren jas, die rondreden in zwart geschilderde Willys jeeps die waren achtergelaten door de Amerikanen.
Snikkend lag ik te trappelen van angst op een wit vloerkleedje, terwijl ik haar hoorde bellen met de telefoon van zwart bakeliet met draaischijf die in de gang aan de muur hing. Veel te kort daarop werd er aangebeld en hoorde ik beneden zware stemmen, gevolgd door voetstappen van grote geüniformeerde mannen in een zwarte leren jas die de trap op dreunden om mij in de boeien te slaan en voorgoed in de gevangenis te gooien.
Het was alleen maar mijn moeder, een door de staalwol geverfde pedagoge, die mij met talent voor psychodrama iets probeerde duidelijk te maken met dat wrede toneelstukje. Het gevolg was dat de schrik me nog steeds om het hart slaat wanneer ik opeens de politie in mijn achteruitkijkspiegel zie, al rijd ik vijftig.

Het tweede eerste wat me in Kijkduin overkwam, was televisie. In een van de Oostenrijkse huizen woonden de moeder en vader van Richard Goet, Lies en haar man, die iets hoogs bij Philips was. Dankzij die functie beschikte hij over een van de eerste televisietoestellen van Nederland. Daar dromden een paar keer buurtbewoners samen om de eerste proefuitzendingen te zien. Wat ik zag ben ik kwijt, behalve dat ik het een mirakel vond.

Het derde eerste was seks. Het kneepje in de borst van de mooie juffrouw van de Noorda telde niet. Dat was gemotiveerd door winstbejag. Nee, de persoon die me zou opzadelen met een levenslange fascinatie was mijn leeftijdgenootje Petra, dochter van een ver aangetrouwd familielid, al wist ik dat toen nog niet. Ik zal een jaar of zeven zijn geweest.
Vlak bij ons huis, voor het middenplantsoen van de Meer en Boslaan, lag een bunker. Daar mocht ik haar onzedelijk… bekijken, op voorwaarde dat ze ook in mijn onderbroek mocht schouwen. Het was maar een glimp, maar het beeld heeft zich voorgoed in mijn geheugen vastgezet en is sindsdien nog vele malen verankerd zonder iets van zijn betoverende charme te verliezen.
‘Nou jij,’ zei ze. Ik trok mijn korte broek open, zij boog zich iets voorover voor een kritische blik op mijn minuscule engerling en ging er vervolgens als een haas vandoor. Ik zal nooit weten of ze geschrokken was, of over haar nek ging, maar het zou nog decennia duren voordat het echt tot me doordrong dat niet alle vrouwen de neiging hebben om weg te hollen.

Dus… flarden van herinneringen zonder begin of eind. De bakker, visboer Toet uit Loosduinen, de melkboer met z’n enorme blikken losse melk, de schillenboer, de voddenboer, de scharensliep, een zeldzame marskramer… ze kwamen allemaal aan huis en droegen bij aan de gezellige levendigheid van die rare puist van Den Haag waar, zoals ik later hoorde, hoofdzakelijk Bohémiens woonden, want de trek naar het platteland werd door stedelingen nog beschouwd als iets zonderlings.

Op een zomerse dag met het hele gezin op het strand was ik bijna verdronken in een mui. Ik kon nog niet zwemmen en speelde op een zandbank terwijl de vloed opkwam en de ondiepe plas water die me scheidde van het strand opeens een gevaarlijk stromende diepte was geworden. Toen ik terug wilde, was die plas te diep geworden en zakte ik naar de bodem, waar ik me kon afzetten, zodat mijn hoofd nog net het boven het water uitstak en ik zus Lien, acht jaar ouder dan ik, die op de zandbank stond, kon toeschreeuwen: ‘Help!’ Ik zie haar nog grijnzen, omdat ze dacht dat ik een loopje met haar nam. Broer Rob zag dat het menens was, sprong me te hulp, maar werd ook verrast door de zuigende diepte. Lien moest Rob redden en ik werd uit het water gehaald door een toevallige voorbijganger. Inmiddels hadden mijn vader en de rest van het gezin in de gaten wat er gebeurde. Ik werd aan mijn voeten ondersteboven gehouden zodat het zoute water uit mijn systeem kon lopen en even later was ik weer de oude. Mijn redder was doorgelopen, door de ontsteltenis waarschijnlijk zonder bedankje. In de dagen daarop heb ik mezelf leren zwemmen, eerst op mijn rug en later op mijn buik.

Buurman Steehouwer, die om ondoorgrondelijke redenen een hekel had aan mijn vader en altijd trage, vibrerende toonladders floot als hij langs wandelde, te beginnen bij de lage C. Een kogeltje van een windpistool van een buurjongen, dat me trof op m’n rechterbil, net toen ik met een groepje Kijkduinse trawanten over het prikkeldraad klom voor een strooptocht door Meer en Bosch. Pijnlijk, maar liever m’n bil dan een oog. Gevechten tussen Kijkduinse pubers en het schorriemorrie uit Loosduinen. Ik was er te jong voor, maar broer Jules, acht jaar ouder dan ik, niet.
Mevrouw Meuser, van het eind van de Noordwijkselaan, die haar zoon nariep: ‘Pas op, Mattias, de Loosduinertjes eten je oortjes op!’ Mattias rook krachtig naar zweet. Misschien uit angst om z’n oortjes te verliezen. Ze hadden ook een hond, die Tiras heette. Waarom ik dat nog weet, is me een raadsel.

De blonde en knappe Sonja Adolfs, een geduchte concurrente van mijn oudste zus Loes voor de liefde van Jan van der Houwen. Loes won. Alfons Dreissen, (getrouwd met een van de zussen Van der Houwen) die fantastische meubels kon maken, maar ondertussen de kamer waar hij werkte in een puinhoop veranderde. Fikkie stoken met een vriendje op het Hondenlandje naast het huis van Meier. Door de wind greep het vuur razendsnel om zich heen, maar door paniek bevangen konden we het nog net doven.

Op dat Hondenlandje stond op een keer een man van elders die zijn piemel aan me liet zien. Ik vond dat niets om van te schrikken (zie mijn ervaring met Petra hierboven), maar moest toch met mijn moeder op het bureau van de zedenpolitie een hele stapel foto’s van vieze mannen of potloodventers doornemen om te kijken of ik iemand herkende. Nee, dus. Misschien was het wel dezelfde die op een avond in de achtertuin door het slaapkamerraam van Loes en El keek om te zien hoe ze zich uitkleedden. Achternagezeten door mijn vader en oudste broer wist hij te ontkomen.

Er waren zo kort na de oorlog niet alleen vieze mannen, maar ook arme mannen. Ik kan me herinneren dat er op een keer werd aangebeld. Toen mijn vader opendeed, stond daar een man in lompen die zijn hand uitstak en eenvoudigweg zei: ‘Arme man.’ Ik denk niet dat mijn vader hem iets gaf, tenslotte kregen Rob en ik maar drie keer per jaar een ijsje van een dubbeltje. Vader was wel gul met losse centen. Ik kan me een tijd herinneren dat ik elke avond tegen zessen bij het tuinhekje stond te wachten tot ik zijn gestalte langs de Muurbloemweg huiswaarts zag lopen van zijn werk in de binnenstad. Hij keek altijd naar de grond alsof diep in gedachten en droeg een lichtbruine regenjas, een hoed en een aktetas. Na de begroeting vroeg ik Heeft u nog losse centen? Soms had hij niets, dan weer een paar en heel soms zoveel dat ik ze niet allemaal kreeg.

Als ik tien losse centen had, toog ik naar banketbakkerij Maison Kelder aan een zijstraat van de Balsemienlaan om voor dat geld een zak koekkruimels te kopen die leeg was als ik weer thuiskwam. Die ‘kruimels’ waren vaak halve koekjes. Eén keer had ik zelfs voldoende gespaard voor twee gebakjes: vierkante, in marsepein gehulde gevallen met een aardbei bovenop die mijn voorkeur hadden. Ik was niet van plan met heelhuids gebak thuis te komen, maar op de hoek van de Muurbloemweg kwam ik een kleuter tegen met een driewieler met wie ik aan de praat raakte. Toen ik vroeg waar zijn vader was, zei hij: ‘In de hemel.’ Dat vond ik zo zielig dat ik hem een van m’n gebakjes gaf, zodat we samen konden smullen. Overigens zie ik tot mijn vreugde op Google Maps dat Maison Kelder zeventig jaar later nog steeds bestaat. De vaderlandse snoeplust overleeft elke crisis. Misschien moet ik in een volgend leven een banketbakkerij beginnen. Suiker, tegenwoordig herkend als een van de schadelijkste levensmiddelen, was destijds een belangrijk onderdeel van mijn dieet. Op mijn dagelijkse bord havermout strooide ik zoveel witte suiker dat die een krokante, gekristalliseerde deksel vormde, als een laagje ijs. Waarschijnlijk was suiker goedkoop, want geen mens die er bezwaar tegen maakte. Ik strooide tot walging van de gezinsleden suiker op mijn gebakken en gekookte eieren, op m’n omelet en in de karnemelk. Het is een wonder dat ik nog leef, al deugt er weinig aan mijn gebit. Aan de andere kant is mijn vader rokend, drinkend, niet bewegend en ongezond bunkerend op een haar na negentig geworden.

Mijn eerste fiets vertegenwoordigt mijn meest curieuze herinnering, die misschien bewijst dat je niet ziet wat je niet gelooft. Moest ik de eerste paar jaar naar en van school aan de Zonnebloemstraat lopen, daarna kreeg ik een step die de reistijd aanmerkelijk bekorte. Op verjaardagen was het gewoonte dat het feestvarken zijn cadeau in de huiskamer moest zoeken. Soms lag het pakje in het buffet onder de opwindklok met zijn Big Ben-geluid, soms achter de radio in de erker of elders. Toen ik zeven of acht werd, kreeg ik een tweedehands zwarte jongensfiets die met een strik erom midden in de kamer stond.
Tot verbazing van mijn toekijkende familie zag ik hem niet, en ik maar zoeken. Ze dachten dat ik ze in de maling nam, maar zeventig jaar later weet ik nog steeds zeker dat ik hem niet zag, misschien omdat ik niets van de orde van een fiets verwachtte. Ze moesten me er met mijn neus op drukken en mijn mond viel open. Ik denk niet dat ik ooit een grotere verrassing heb gekregen. Binnen de kortste keren had ik er ook een bel op die werd aangedreven door de spaken van het voorwiel, zodat ik dagelijks luid ratelend het schoolplein op kwam. Kijk, hier ben ik.

Het risico van opgroeien met vijf, (op Rob na) véél oudere broers en zussen, is een hardnekkig gevoel van niet-gezien-worden of niet-meetellen. Eén beeld dat zich nog wel eens aan me opdringt, is hoe ik met m’n driewieler op het tuinpad sta. We hebben zo’n ouderwetse voordeur die uit twee helften bestaat met een klopper op de bovenste. Die helft staat open. Mijn moeders stem klinkt vanuit de keuken: ‘Jongens, wie past er op Bobbie?’ en ik zie ze alle vijf weg stuiven, op de fiets en te voet.

Ik kan nog steeds een zwaar gevoel krijgen wanneer ik de indruk heb buitengesloten te zijn. Als ik ’s zomers vroeg naar bed moest en, wakker gehouden door de muggen, via de open ramen op het terras beneden de geluiden van gezelligheid hoorde — kopjes koffie die neergezet en geroerd werden, gelach, gekeuvel — werd ik razend. Een keer zelfs zo, dat ik uit bed kwam en bewust het vloerkleedje nat piste. Dat kostte me twee keer een verhaaltje voor het slapengaan. Het waren altijd heldenverhalen over mijn vader als puber en zijn vriendje Piet Kotman, waarin mijn vader de held was en Pietje altijd de sigaar. Voortaan plaste ik alleen nog maar in m’n bed; dat was geen opzet; dat begrepen ze nog wel. Er werd van alles tegen ondernomen: om een uur of elf gewekt om nog eens te plassen. Zus Lien moest dat een keer doen, maar ze hield me niet vast, zodat ik slaapdronken met m’n voorhoofd op de stalen bedrand viel en nog steeds een littekentje op m’n voorhoofd draag. Erger nog is dat ze het zich helemaal niet herinnert! Of ze gaven me een theelepel zout voor het slapengaan, wat ik walgelijk vond. Standaard was een zeiltje in bed, maar dat verschoof dikwijls, zodat er toch weer veel beddengoed in de wasmachine moest. Dat was een soort houten ton met een schoep en een elektromotor in de bijkeuken. Later kwam er een handwringer op, die ik mocht bedienen.

Ik kan nog altijd bijna niet geloven dat de jongste van een groot gezin het prettig vindt om de Benjamin te zijn. Ik had maar één doel: ouder worden. Toen ik in 1966 als leerling-journalist bij het dagblad De Tijd voor het eerst mijn naam onder een stukje las, had ik bijkans een orgasme. Ik bestond! Ik werd honderdduizendvoudig gezien!

Ook een beeld van de stormramp van 1953 die in Zeeland achttienhonderd doden eiste, staat me nog helder voor de geest. Ik wandelde met mijn vader naar het einde van de Duinlaan en zag in de verte de golven boven de smalle duinenrij uit spatten, iets wat geen Kijkduiner ooit eerder had aanschouwd of later zou zien. De orkaan had waarschijnlijk niet veel langer moeten duren, anders was het land van boer Zonneveld ook ondergestroomd. Ik was nog op een leeftijd dat niets mij angst aanjoeg als ik mijn vader naast me had, dus ik vond het alleen maar geweldig.

Natuurlijk was Jules, de tweelingbroer van Lien, een soort verre held, maar ik haatte hem ook omdat hij Rob en mij regelmatig de ‘kieteldood’ gaf, een vorm van marteling waardoor ik nog steeds overgevoelig ben voor kietelen. Als Rob aan de beurt was, stond ik erbij te grijnzen, als ik aan de beurt was hij. Het krijsende gelach maakte waarschijnlijk dat Jules dacht dat we het leuk vonden. Hij verdween al op zijn 13e — toen ik 5 was — uit huis om bij boer Kalfsbeek in het Groningse Warfum een soort stage te lopen als gratis duvelstoejager. Hij wilde naar de Goudse landbouwschool, maar als je geen boerenzoon was, moest je in de leer. Ik weet nog dat hij een keer naar huis belde om te vertellen dat die Groningse eikel niet wilde dat zijn lievelingskonijn hem gezelschap kwam houden. Als Jules met verlof thuiskwam, leerde hij me Gronings. Pien ’n mien pokkel betekende pijn in mijn buik. Hamotjo was hoe gaat het? Hadioteetjo was de lange vorm daarvan. Een mokkeltje was een meisje.

Hoe meer ik schrijf, des temeer herinneringen er komen bovendrijven. Oergezellige familiefeesten zoals Sinterklaas, Kerst en oudjaar, voordat het gezin uiteenviel door de emigratie van de twee oudsten naar NZ in '51 en van Jules, eerst naar Warfum, later naar boer Jolink in de Noordoostpolder en tot slot als volleerde boerenknecht naar boer Berendse in Zevenaar. Mam bakte appeltaart en brood en krentenbrood en maakte pasteitjes. Mijn vader slachtte een konijn, maar toen dat gebraden en wel op een schaal midden op tafel lag, bleek bij de sectie dat hij was vergeten de darmen eruit te halen, zodat de keutels nog herkenbaar in het vlees zaten als suf gekookte doperwten.

Toen het gezin was gedecimeerd, moet er thuis een gedeprimeerde sfeer hebben gehangen, want ik deed er alles aan om aandacht te trekken. Ik ging op een wasdag met m’n tong uit m’n mond, armen wijd en ogen dicht voor dood liggen op het traject dat mam met de wasmand moest afleggen om bij het (toen nog) raamloze terras te komen waar de waslijn hing. Ik kreeg een schopje met de mededeling: ‘Ga jij eens opzij.’ Ze had er geen vrede mee dat haar oudste dochters 23000 kilometer verderop zaten. Ik wel, ik vond het een belevenis om dat kolossale passagiersschip Sibajak, met duizend symbolische lintjes in de handen van talloze familieleden, zich te zien losknappen van de kade in Rotterdam. ‘Hebben jullie wel broodjes mee?’ riep ik naar Loes en Jan en El, die tussen de andere passagiers over de reling hingen. Dat hadden ze en het stelde me gerust. Maar evengoed moet de sfeer thuis me dikwijls op pad gestuurd hebben met de net zo verweesde Max.

Eens in de zoveel tijd gingen we met de tram ‘naar de stad’ om boodschappen te doen. Als mijn moeder een gulle bui had, gingen we bij Broodje van Kootje naar binnen, waar ik voor het eerst van mijn leven een broodje ham van zestig cent kreeg: een vers broodje met een ongehoorde lading dun gesneden ham. Tegenwoordig doe ik pogingen om vegetarisch te leven, maar voor een vers broodje ham kun je me nog steeds wakker maken of omkopen, en ik moet dan altijd nog aan die hemelse eerste keer denken, alsof het seks betreft.

Bataljons soldaten die langs marcheerden en naar me knipoogden, terwijl ik ademloos toekeek, vliegtuigen die over ronkten, krentenbollen en duimdrop voor een stuiver, ik die uit de bolderkar klom tijdens een wandeling met m’n moeder door Meer en Bosch, badgasten zoals Marjan Hemmes uit Rotterdam die een kamer bij ons huurden zodat we de eindjes aan elkaar konden knopen en wier gezicht ik me nog herinner; Ans Koning, een snoezige vriendin en klasgenoot van Lien, die wel met mij wilde dansen op een fuifje dat Lien voor haar 17e verjaardag op 149 gaf.
Die leuke Ans heeft onlangs via een uitgeverij contact met me gezocht om te vragen of Lien nog leeft (inderdaad, al zijn Rob en Loes nog maar kort geleden overleden) en of ze haar adres in Nieuw Zeeland mocht hebben. Ze is net als Lien 85 en ziet er nog altijd sappig uit. Toen ik contact opnam met Lien, die nu Lynn heet, bleek die niet te wachten op contact met Ans, maar pas toen ik aandrong, las ik waarom. Ans zou op dat bewuste feestje in april 1956 een vriendje van Lien hebben afgepikt ‘omdat ik toch naar Nieuw Zeeland zou gaan’.
Verbazing bij Ans. Die zou zich na het feest achterop bij dat vriendje naar huis hebben laten brengen om hem bij de voordeur een kus te geven en daarna nooit meer te zien.
Dus geen contact met Lien, maar ik heb er een leuke correspondentievriendin aan overgehouden: het eerste meisje met wie ik heb gedanst, en nog wel een heel leuk meisje van 17 (een leeftijdsverschil als een eeuwigheid in mijn negenjarige beleving), de enige van die avond van wie ik me nog het gezicht herinner.

Het is allemaal fantastisch mysterieus: een misplaatste rancune die zich zeventig jaar laat oprekken en een kinderliefde die net zo rekkelijk blijkt.
Historicus Jan van der Houwen (met z’n hele gezin 1971 uit Nieuw Zeeland teruggekeerd) is in 1989 overleden en Loes in 2022. Ze was 93. Ik weet nog dat Jan, mijn favoriete zwager, eens heeft gezegd: ‘Als de oorlog niet tussenbeide was gekomen, had ik nu in een groot zeiljacht de hele wereld afgevaren met een bijna onuitputtelijke bankrekening.’

Wat ik ervan heb begrepen, is dat Kijkduin in de jaren twintig en dertig was gebouwd als een fraai vakantiedorp, om de enkelsteenshuizen te zijner tijd af te breken en op elk perceel twee ‘echte’ huizen met spouwmuren neer te zetten en voor heel veel geld te verkopen, want Den Haag was qua grondgebied bezig uit zijn jasje te groeien, waardoor de grond goud waard werd. Dat had de oude Van der Houwen met zijn broer goed bekeken.

Maar de Duitsers gooiden roet in het eten. Ze braken de zuidelijke helft van Kijkduin af, waardoor mijn ouders tot en met 1945 een goed heenkomen moesten zoeken en het zevenkoppige gezin in één ruimte op een drijvende bok in Wieringen belandde. De huizen, die al die oorlogsjaren weinig of niets hadden opgeleverd om de kolossale hypotheekschuld te betalen, vielen toe aan de bank. Schijnbaar was er later toch nog sprake van een aanzienlijke erfenis, die in de zak van een zus en/of een broer die dichter op het vuur zaten verdwenen zou zijn, want de oudste Van der Houwen zat in Zuid Afrika en Jan in Nieuw Zeeland.
Op de drijvende bok hoorde het gezin Snoijink op 5 mei 1945 prins Bernard via de radio met zijn kenmerkende Teutoonse accent verkondigen:
‘Laangenoten, gaai zaait vraai’, waarop Julius Adrianus Snoijink een halve fles Bokma soldaat maakte en ik, negen maanden later, op 26 februari 1946, werd geboren in een kraamkliniek die uitkeek op Madurodam.

 

BOB SNOIJINK
Gasteren
bobsnoijink@gmail.com

Bob Snoijink - 1947
Bob Snoijink - 2023
De auteur Bob Snoijink, in 1947, 1 jaar oud en 76 jaar later, in 2023.
Bob Snoijink - Duinlaan 149 - Kijkduin
Ik weet ook nog dat ik daarvoor in een afwasteiltje van email, gebutst groen aan de buitenkant en wit aan de binnenkant, in bad werd gedaan. 
6 mnd oud op arm van tante - met mam - Jules - Rob
1946 - Bob 6 maanden oud op de arm van een tante. Met mam, Jules en Rob
1951-6-ms-Sibajak-Lloydkade-vertrek-naar-Australie
1951 - Vertrek van de MS Sibaja vanaf de Lloydkade in Rotterdam met emigranten, naar Austalië en Nieuw Zeeland - (Afbeelding – Koninklijke Rotterdamsche Lloyd Museum)
1951 - ms Sibajak - Gedenkplaat van passagiers eerste emigrantenreis naar NZ
1951 - MS Sibaja - gedenkplaat van passagiers, eerste emigrantenreis naar Nieuw Zeeland - (Afbeelding – Koninklijke Rotterdamsche Lloyd Museum)
Duinlaan 149 - verdwenen bunker
De Duinlaan 149 met de verdwenen bunker op de voorgrond.
Bob damt met vader. Mam en omoe kijken toe
Bob damt met z'n vader. Mam en omoe kijken toe.
woonkamer Kijkduin Scheveningselaan 163 - Familiearchief Goet
Televisie kijken Kijkduin Scheveningselaan 163 - Familiearchief Goet
In een van de Oostenrijkse huizen woonden de moeder en vader van Richard Goet, Lies en haar man, die iets hoogs bij Philips was. Dankzij die functie beschikte hij over een van de eerste televisietoestellen van Nederland. Hier links op de foto te zien. Op de rechterfoto zitten Bob en Rob Snoijink midden vooraan op de grond.
Duinlaan 149 - ouders - Rob - Max
De ouders van Bob (links) en Rob en de hond Max in de tuin van de Duinlaan 149.
HGA001050940 - Watersnoodramp febr 1953 bij Kijkduin
Ik wandelde met mijn vader naar het einde van de Duinlaan en zag in de verte de golven boven de smalle duinenrij uit spatten, iets wat geen Kijkduiner ooit eerder had aanschouwd of later zou zien.
Kijkduin-Zandvoortselaan-hondevelletje-1960
Een braak en min of meer vlak stuk duingrond met helm en duindoorn, omsloten door de Scheveningse-, Katwijkse- en Zandvoortselaan, waar ik een keer op weg naar het strand met Max met mijn handen in de kattenpoep struikelde, wat ik tot de smerigste gebeurtenissen van mijn leven reken.
Benelux Paviljoen - Haags Gemeentearchief - J Manschot
Waar de Kijkduinstraat eindigt, stond een strandtent die het Benelux Paviljoen heette, met een aangespoelde zeemijn als sculptuur op het terras en een venster waar voorbijgangers voor een dubbeltje een ijsje met rozijnen konden kopen. 
Op een zomerse dag met het hele gezin op het strand was ik bijna verdronken in een mui. Ik kon nog niet zwemmen en speelde op een zandbank terwijl de vloed opkwam en de ondiepe plas water die me scheidde van het strand opeens een gevaarlijk stromende diepte was geworden. 
Ergens in de winter van 54 of 55 heerste er een griezelige stilte aan het strand omdat het min vijfentwintig was en de branding was omgetoverd tot een dertig meter brede strook ijsbergen en opgekruide schotsen. (foto: Haags Gemeentearchief)
1956 - naar Nieuw Zeeland - klaar om in te schepen
1956 - De verhuiswagen voor de deur, klaar om in te schepen
... 1956, toen de rest van het achtkoppige gezin Snoijink op de krakkemikkige emigrantenschuit Zuiderkruis naar Nieuw-Zeeland verhuisde, mijn twee oudste zussen Loes en El achterna. (foto: Koninklijke Rotterdamsche Lloyd Museum”)